De Nederlandse drieassige coupérijtuigen

De eerste drieassige rijtuigen werden al in breedspoortijd door de HSM in dienst gesteld. Jarenlang bleven er discussies of drie assen beter was als twee, wat er toe leidde dat er meestal slechts kleine aantallen drieassers werden gebouwd. Rond 1875 was het probleem met een schuifbare middenas om door bogen te kunnen bij grotere radstanden dusdanig verbeterd dat de meeste maatschappijen overschakelde op het bouwen van drieassers.

In 1874 stelde zowel de SS als HSM ieder een serie drieassers in dienst, speciaal voor sneltreinen. Ze kwamen redelijk met elkaar overeen wat hoofdafmetingen betreft. In 1882 bouwde de SS  een nieuwe moderne serie grote drieassers, een jaar later gevolgd door even moderne HSM tegenhangers. In al deze gevallen kregen ze 5 coupés, slechts één coupé meer dan de oudere tweeassers. Een tiental jaren later was men in staat langere rijtuigen te bouwen met een grotere radstand en werden de eerste AB's met zes coupés gebouwd.

De SS bouwde in 1891 een grote serie AB's (85 stuks, art. m-205) en C's (100 stuks, art. m-204). De C's waren voorzien van teakhouten buitenbekleding, iets wat de SS in de twintig jaar daarna bleef volhouden voor haar drieassige derde klasse rijtuigen. De treinen bevatte meestal twee C's per AB wat ook blijkt aan de bestelde aantallen.

Tot de eeuwwisseling veranderde er niet veel aan de drieassers, ze werden hooguit een stukje langer toen de meeste nieuwe rijtuigen voortaan van toilet werden voorzien. Vanaf 1900 bouwde men hoofdzakelijk vierassers na de bouw van een paar proefseries enkele jaren daarvoor.

In 1900 bouwde de SS een paar series rijtuigen die steeds één klasse per rijtuig kende. Er werden dus A's (28 stuks, art. m-200), B's (40 stuks, art m-201) en C's (100 stuks, art m-202) gebouwd. Deze waren voornamelijk bedoeld voor de forenzentreinen tussen de grote steden waarbij ze in samenstelling van 1x A, 2x B en 4x C reden. Van de C's werden in 1902/1903 nog eens 20 stuks besteld en vanaf 1910 nog 40 ondanks dat de SS ook al vierassers voor de 3e klasse bouwde vanaf 1906. Waarschijnlijk waren deze later gebouwde rijtuigen bedoeld als vervanging van de C5 rijtuigen in kortere stoptreinen waarvan de oudste exemplaren in die tijd buiten dienst gingen en werden omgebouwd tot bagagewagen.

De HSM en NCS bouwde geen aparte A's en B's, alleen AB's in combinatie met C's. De NBDS heeft slechts één serie van vijf drieassige AB's in 1905 laten bouwen.

De meeste drieassige rijtuigen gingen bij de NS vlak voor 1940 buiten dienst. Alleen de laatst gebouwde series derde klasse rijtuigen van de HSM, SS en NCS bleven ook na 1945 nog een aantal jaren in dienst waarbij ze in combinatie met vierassers werden ingezet.

De modellen:

Met de aangekondigde modellen is het mogelijk om complete treinstammen op te bouwen zoals deze ook daadwerkelijk hebben gereden. Voor de twee HSM AB's geld dat deze prima zijn te combineren met de diverse tweeassige 3e klasse HSM rijtuigen.

Er is gekozen om eerst twee SS hoofdseries met alle bijbehorende rijtuigen uit te brengen; de grote serie drieassers uit 1880 en de serie uit 1900. Dit zijn de series geweest die jarenlang het beeld bepaalde van de SS sneltreinen. Bij de NS werden ze gemengd ingezet met oud HSM of NCS rijtuigen.